Calvijn merkt op dat Jesaja in hoofdstuk 11 een opvallend beeld gebruikt. Niet een florerende boom, maar een afgehakte stronk. Het koninkrijk van David, dat als een hoge ceder was opgegroeid, is omgehouwen. Wat overblijft is een stronk, schijnbaar dood, schijnbaar voorbij. En juist daaruit, zegt Jesaja, schiet een telg op. Iets onverwachts, kwetsbaar nog, maar levend. Daarmee belooft hij de komende Messias.
Waarom een stronk
Calvijn vraagt zich af waarom God zo werkt. Hij had de Messias kunnen laten komen op het hoogtepunt van Israëls macht. Hij koos voor het tegendeel. Toen Jezus geboren werd, was Israël een provincie van een grote heidense macht. Het koningsgeslacht was politiek niet meer relevant. De stronk leek dood. Juist op dat moment kwam de telg op. God verbergt zijn werk graag achter omstandigheden die geen mens zou kiezen. Hij begint zijn grote dingen vaak in wat eruit ziet als doodlopen. Dat is iets om te onthouden voor wie zelf in een doodgelopen seizoen verkeert. Daar kan onverwacht iets opschieten dat hij zelf laat groeien.
Hoop tegen de feiten in
Calvijn weet dat zijn lezers in eigen leven vergelijkbare stronkstadia kennen. Een huwelijk dat omgehakt lijkt. Een gezondheid die niet meer terugkomt. Een geloof dat verdord aanvoelt. Een gezin dat onherstelbaar lijkt. Wat doe je dan met Jesaja 11? Niet ontkennen wat afgehakt is, want dat is het. Maar wel je openhouden voor wat God uit stronken laat opschieten. Niet als magisch denken, niet als oppervlakkige hoop. Maar als de verwachting die geboren is uit wie hij in heel de Bijbel is gebleken. Iemand die uit onverwachte grond nieuwe levens laat ontstaan. Wie deze adventsweek met deze hoop ingaat, kijkt anders naar wat dood lijkt. Hij wacht op een telg.
Ter overdenking
- Welke "stronk" in mijn leven lijkt op dit moment afgekapt en zonder toekomst?
- Wat verandert er als ik geloof dat hij juist daar iets kan laten opschieten?