In de aanloop naar Advent staat Augustinus in zijn preken stil bij Johannes 1:14. Het Woord is mens geworden. Hij wil zijn hoorders laten beseffen wat hier gezegd wordt. Niet "een goede leraar verscheen". Niet "een profeet sprak". Maar: God zelf, het Woord, werd mens en woonde bij ons. Niet bezocht ons, maar woonde. Een verschil dat veel mensen in Augustinus' tijd al niet helemaal doorhadden, en wij vaak ook nog niet.
Niet wij naar hem, maar hij naar ons
Andere religies van Augustinus' tijd vroegen mensen om naar God te klimmen. Door ascese, door rituelen, door wijsheid, door mystieke ervaring. Het christendom keerde dit om. Het zegt: wij konden niet naar hem klimmen, daarom is hij naar ons afgedaald. Niet omdat hij ons graag wilde imponeren, maar omdat hij ons wilde dragen. Augustinus zegt dit met aandoening. De God die het universum heeft gemaakt, koos een lichaam zoals het mijne. Hij ademde de lucht die ik adem. Hij had honger, hij werd moe, hij huilde, hij sliep. Dat is geen mythologie, het is het ankerpunt van het christelijk geloof. Hij is naar ons toe gekomen.
Wat dit met afstand doet
Veel mensen voelen God als afstandelijk. Hoog, heilig, onbereikbaar. Augustinus zegt: ja, hij is heilig. Maar door de menswording is de afstand gehaald. Hij heeft zich tot ons niveau begeven, niet omdat hij ophield God te zijn, maar omdat hij voluit ook mens werd. Wie aan hem komt, komt aan iemand die ons kent van binnenuit. Wie zich tot hem keert, hoeft niet door allerlei lagen heen te dringen. Hij is genaderd. In de aanloop van december, wanneer de kerk wereldwijd zich voorbereidt op de viering van zijn komst, mag deze waarheid zachtjes binnenkomen. Niet sentimenteel, wel werkelijk. Hij is gekomen, en in zekere zin komt hij steeds opnieuw, in elke ontmoeting met hem die zijn weg vervolgt in zijn Geest.
Ter overdenking
- Hoe vaak besef ik dat God naar mij toe is gekomen, niet ik naar hem heb moeten klimmen?
- Wat verandert er in mijn omgang met hem als ik dit ankerpunt vasthoud?