Twee kanten van wederzijds bezit

Hooglied 2:16 · NBV21
Mijn liefste is van mij, en ik ben van hem.
Dag 27 november
Lezen Begin de overdenking

In zijn preken over het Hooglied blijft Bernard graag stilstaan bij dit korte vers. Mijn liefste is van mij, en ik ben van hem. Het wordt door de bruid gezegd, en Bernard ziet er een uitspraak in over de relatie van de ziel met Christus. Twee korte zinnen, twee kanten van hetzelfde wonder. Hij is van mij, en ik ben van hem. Beide moeten samen om de uitspraak kloppend te maken.

Hij is van mij

Bernard verbaast zich elke keer opnieuw dat een mens dit überhaupt kan zeggen. Christus, Heer van het heelal, is van mij. Niet dat ik hem bezit zoals ik een huis bezit. Maar in de zin dat hij zich aan mij gegeven heeft. Zijn liefde is mijn deel. Zijn vergeving is voor mij beschikbaar. Zijn aanwezigheid heeft hij aan mij toegezegd. Zijn toekomst deelt hij met mij. Dat is iets om in te ademen. Christus van mij. Voor mij. Bij mij. Met mij. Wie dit werkelijk in zijn binnenste laat indringen, ervaart een vreemd genoegen dat van geen andere ervaring komt.

En ik ben van hem

De andere kant is even belangrijk. Ik ben van hem. Niet meer mijn eigen baas, niet meer mijn eigen Heer, niet meer onder dictaat van mijn eigen verlangens. Ik behoor toe aan iemand die mij liefheeft. Dat klinkt voor sommigen onaangenaam, alsof ze hun zelfstandigheid kwijt zijn. Bernard zegt: omgekeerd. Pas wanneer ik van hem ben, vind ik mezelf werkelijk. Buiten zijn bezit ben ik aan veel andere meesters geketend, en ze zijn niet zacht. In zijn bezit ben ik vrij van wat anders is, en gevormd door wie hij is. Dat is geen verlies, dat is winst die zich pas openbaart als je hem geeft wat hij vraagt.

Ter overdenking

  • Welke kant van het wederzijdse bezit kan ik vandaag dieper laten doordringen?
  • Wat zou er gebeuren als ik bewust uitspreek: mijn liefste is van mij, en ik ben van hem?
Heer Jezus, u bent van mij, en ik ben van u, daarin mag ik vandaag rusten en wandelen. Amen.
Bron

Preken over het Hooglied, preek 67