David ligt op een avond buiten en kijkt naar de hemel. Hij ziet de maan en de sterren, hij ziet hoe enorm het allemaal is, en hij stelt zichzelf de vraag die de psalm beroemd maakte. Wat is een mens dat u aan hem denkt? Matthew Henry merkt op dat dit niet een vraag is van zelfveroordeling. Het is een vraag van verbazing. Een mens die zo klein is in vergelijking met de kosmos, blijkt belangrijk te zijn in Gods oog.
Twee waarheden samen houden
Henry stelt vast dat veel mensen één van twee fouten maken. De ene fout is zichzelf te groot maken. Wij vergeten hoe klein wij eigenlijk zijn in het grote geheel van de schepping. Wij doen alsof de zorgen van ons leven het centrum van het universum zijn. De andere fout is zichzelf te klein maken. Wij vergeten dat God ons heeft uitgekozen om aan te denken. Wij doen alsof wij onbeduidend zijn in zijn ogen. David houdt beide waarheden samen. Hij is klein, vergeleken met sterrenstelsels. Hij is geliefd, gemerkt door zijn Maker. En dat samen geeft een gezonde plek.
Gezien voor het slapen
Henry vindt het mooi dat David dit besef uit in een avondlied. Hij heeft eindelijk pauze, hij ligt buiten, hij kijkt omhoog. In zulke momenten kan een mens zijn dag overdenken en zichzelf opnieuw plaatsen. Henry stelt zijn lezers een soortgelijke gewoonte voor. Aan het einde van de dag, voor je gaat slapen, even kijken naar wat hij gemaakt heeft. Door een raam, of buiten als het kan. En bedenken dat de Maker van dit alles aan jou denkt. Dat heeft een rustig effect op een onrustig hoofd. Niet alles afgehandeld voor het slapen gaan, maar wel gezien dat boven de afgehandelde en niet-afgehandelde dingen iemand staat die jou kent en aan jou denkt. Daarmee in slaap vallen is anders dan met je takenlijst in slaap vallen.
Ter overdenking
- Verval ik eerder in mijzelf te groot of te klein zien?
- Hoe kan ik vanavond bewust dit beeld meenemen bij het slapen gaan?