Als jong man schreef Jonathan Edwards een persoonlijk getuigenis. Een terugblik op hoe God hem geraakt had. Hij beschrijft een moment in zijn studententijd toen hij 1 Timoteüs 1:17 las, een doxologie over God de Koning der eeuwen. Hij voelde iets in zich opkomen dat hij nog niet eerder had ervaren. Niet emotie, niet schrik, maar een verlangen om God groot te zien. Vanaf dat moment, schrijft hij, was zijn leven niet meer op dezelfde plek geanker.
Een verschuiving van bestemming
Wat Edwards beschrijft, is geen bekering van ongelovig tot gelovig. Hij was opgegroeid in een dominees gezin en geloofde al. Wat veranderde was iets dieper. Het doel van zijn leven verschoof. Tot dat moment was hij, ondanks zijn geloof, primair op zichzelf gericht. Zijn ontwikkeling, zijn studie, zijn vooruitgang. Vanaf dat moment werd God de bestemming, en zijn eigen leven werd een middel. Niet uitgevlakt, niet onbelangrijk gemaakt, maar in dienst genomen. Hij was geen eindstation meer voor zichzelf.
Wat dit voor anderen kan betekenen
Edwards weet dat niet iedereen een omschrijfbaar omslagmoment zal kunnen aanwijzen. Sommige mensen groeien geleidelijk in deze verschuiving. Anderen ervaren hem in een crisis. Weer anderen pas op latere leeftijd. Maar wat hij allen aanraadt is om eerlijk te kijken naar het doel waarvoor men leeft. Leven ik primair voor mijn eigen ontwikkeling, met God als helper in dat project? Of leef ik voor zijn eer, met mijn eigen leven als gereedschap dat hij mag gebruiken? Het verschil is groter dan op het eerste gehoor klinkt. In het eerste geval is God in dienst van mij. In het tweede geval ben ik in dienst van hem. En dat tweede, vond Edwards, is uiteindelijk wat een mens werkelijk vervult.
Ter overdenking
- Voor welk doel leef ik feitelijk, vandaag?
- Welke kleine verschuiving zou een eerste stap kunnen zijn naar leven voor zijn eer?