David doet aan het einde van Psalm 139 iets dat in de geestelijke literatuur zeldzaam is. Hij vraagt God om hem te doorgronden. Niet om God te informeren over wat in hem zit, dat heeft de psalm al uitgebreid beschreven. Hij vraagt om kennis aan de kant van zichzelf. Calvijn merkt op dat dit gebed alleen door iemand kan worden uitgesproken die genade heeft leren kennen. Want wie zonder genade om doorgrond te worden vraagt, vraagt om vernietiging. Wie het in genade vraagt, vraagt om groei.
Een vraag die je niet uit jezelf bedenkt
Het is niet iets dat in een gemiddeld mens spontaan opkomt. Het natuurlijke menselijke instinct is om onbekend te blijven met wat in jezelf zit. Verstoppen, vergeten, omwegen maken. Calvijn zegt: David doet het tegenovergestelde. Hij vraagt zelf om opgegraven te worden. Hij weet dat zonder dit zien, geen werkelijke verandering plaats vindt. Een arts die je niet laat onderzoeken, kan je niet behandelen. Een gelovige die God niet laat onderzoeken, blijft op hetzelfde punt staan, jaar na jaar.
Vragen waar dit op uitloopt
Calvijn moedigt zijn lezers aan om dit gebed werkelijk uit te spreken, en dan stil te worden. Vraag iets concreets. Heer, wat ziet u in mij dat ik niet zie? Heer, welke gewoonte staat tussen u en mij? Heer, in welke relatie ben ik niet eerlijk? Heer, waar leef ik vanuit angst in plaats van vanuit u? Dan wacht je. Niet hard luisterend, niet je geest forcerend. Gewoon stil. Vaak komt er iets boven dat je eigenlijk al wist maar voor jezelf liever niet erkenden. Op dat moment heb je een keuze. Doe je het weer dicht, of laat je het open en geef je het aan hem? Wie het laatste durft, gaat groeien.
Ter overdenking
- Durf ik het gebed van Psalm 139:23 werkelijk uit te spreken?
- Welk concreet ding zou ik vandaag aan zijn licht durven blootstellen?