Calvijn opent zijn commentaar op Psalm 115 met de opmerking dat dit een gebed is dat alle anderen moet helpen kleuren. Niet ons, niet ons. De herhaling is geen toeval. De psalmist wil twee keer zeggen dat hij niets voor zichzelf vraagt. Hij vraagt voor de eer van zijn God. En dit is precies, schrijft Calvijn, het verschil tussen vroom en oppervlakkig bidden.
Waar zorgen we het meest voor
Calvijn vraagt zich af waar onze grootste zorg ligt als we bidden. Voor velen, eerlijk gezegd, ligt zij bij hun eigen leven, hun eigen reputatie, hun eigen toekomst. Daar bidden ze voor. Niet onterecht, God moedigt ons aan om met onze zorgen tot hem te komen. Maar wanneer dit het enige is wat ons bezighoudt in gebed, mist er iets. De psalmist laat een diepere laag zien. Ja, hij heeft ook zorgen. Maar zijn diepste verlangen ligt elders. Het is dat God geëerd wordt, dat zijn naam groot wordt in deze wereld. Dat is een verlangen dat hem boven zichzelf uittilt.
Eer van God en eigen welzijn
Het wonderlijke is dat deze twee niet tegen elkaar in werken. Wanneer God geëerd wordt, gaat het mij niet slechter. Integendeel. Zijn eer gedijt op een leven dat door hem wordt gedragen. Mijn welzijn gedijt op een hart dat zijn eer zoekt. Calvijn merkt op dat veel onrust ontstaat doordat wij ons eigen welzijn als hoogste doel zetten. We worden gespannen, omdat zoveel buiten onze macht ligt. Wie zijn eer als hoogste doel ziet en op hem rekent voor het eigen welzijn, ontspant. Hij doet zijn deel, hij vraagt om wat hij nodig heeft, en hij vertrouwt dat God zelf goed zorgt voor wat hem toevertrouwd is.
Ter overdenking
- Hoeveel ruimte krijgt "uw eer" in mijn gebeden naast mijn persoonlijke verzoeken?
- Wat zou er veranderen als dit mijn eerste vraag werd?