J.C. Ryle merkt op dat er twee soorten christenen zijn die hij beide kent. Christenen die hardop voor hun geloof uitkomen, en christenen die het liever stil houden. De tweede groep is groot. Ze geloven, ze gaan ter kerke, ze bidden in het verborgen, maar in hun werk, in hun familie, in hun vriendenkring komt het onderwerp Christus niet uit hun mond. Ryle vraagt zich af waarom. En hij is niet vleierig over de redenen die hij vindt.
Wat ons stilhoudt
Veel mensen blijven stil uit angst, schrijft Ryle. Angst voor wat anderen zullen denken. Angst voor spot. Angst dat ze niet weten wat ze moeten zeggen als iemand doorvraagt. Soms ook uit verkeerd begrepen bescheidenheid: ik wil mijn geloof niet opdringen. Ryle laat de gedachte goed staan, maar voegt eraan toe: stilte uit angst is geen bescheidenheid, het is een keuze. En een keuze om Christus niet te noemen is even spraakzaam als een keuze om hem te noemen, alleen in de andere richting. Mensen om je heen lezen je stilte als boodschap. Voor hen is hij niet belangrijk genoeg om over te spreken.
Wat klein begint
Ryle stelt niet voor dat iedereen straatprediker wordt. Hij weet dat persoonlijkheden verschillen, en dat sommige mensen niet aan de keukentafel een preek houden. Maar wat hij wel vraagt, is dat christenen niet zwijgen wanneer hun overtuiging op spel staat. Een collega die God belastert, een vriend die een verkeerde keuze toelicht, een familielid dat vraagt waarom je iets wel of niet doet. Op zulke momenten is iets zeggen wat klein maar duidelijk is, niet alleen mogelijk maar opdracht. Iets als: dit doe ik vanuit mijn geloof. Iets als: ik denk daar anders over, omdat. Geen preek, wel een lichtje. Wie vandaag één zulke moment aandurft, ontdekt dat het minder zwaar is dan hij vreesde.
Ter overdenking
- Waar zwijg ik uit angst terwijl een eenvoudig woord op zijn plek zou zijn?
- Welk klein moment kan ik vandaag aangrijpen om Christus te noemen?