Luther schreef het beroemdste protestantse lied dat ooit gemaakt is: Een vaste burcht is onze God. Hij maakte het in een periode van grote druk. De keizer was tegen hem, sommige vorsten waren tegen hem, en allerlei stemmen vroegen hem te buigen. In zijn Tafelgesprekken vertelt hij dat hij in zulke periodes het lied voor zichzelf zong, hardop. Het zong hem moed in op momenten dat hij geen moed had.
Niet zelf de burcht zijn
De grote bekentenis in zijn lied is dat hij zelf niet de burcht is. Hij is geen sterke man die met zijn eigen kracht standhoudt. God is de burcht, en hij schuilt erin. Wie meegaat in deze lijn, hoeft niet zelf zo sterk te zijn als hij dacht. Hij mag schuilen in iemand die werkelijk niet wankelt. Dat is een belangrijke ontdekking in een leven vol druk. Veel mensen werken zichzelf kapot door te denken dat ze zelf overal tegen moeten kunnen. Luther had geleerd dat dit niet hoeft. God is de burcht. Ik mag erin.
Liederen doen werk
Luther was overtuigd dat een goed lied iets doet wat een leerstuk alleen niet doet. Een leerstuk informeert, een lied draagt. Wie een geestelijk lied uit zijn hoofd kent, kan het laten meedragen op moeilijke momenten. In de wachtkamer van een ziekenhuis. In een nacht waarin hij niet kan slapen. Op een dag waarop hij niet weet hoe het verder moet. Daarom schreef Luther liederen, niet alleen preken. Hij wist dat de gewone gelovige in zijn dagelijks leven gereedschap nodig heeft. Vraag jezelf vandaag: ken ik liederen of versjes die mij dragen als het nodig is? Zo niet, leer er deze week een. Zo wel, zing het hardop voor jezelf. Soms is daar precies wat je nodig hebt.
Ter overdenking
- Welk lied is voor mij een burcht geweest, of mag er een worden?
- Wanneer kan ik vandaag hardop voor mijzelf zingen wat ik nodig heb om te dragen?