In zijn Belijdenissen schrijft Augustinus een passage die wereldberoemd is geworden. Te laat heb ik u liefgekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw. Hij denkt terug aan zijn jaren waarin hij God buiten zichzelf zocht, terwijl hij van binnen was. Hij liep gehaast door allerlei dingen, en God zocht hem heel die tijd. Toen hij eindelijk antwoordde, viel hij in een liefde die altijd al voor hem klaar had gelegen.
Niet te laat voor wat ertoe doet
Augustinus zegt "te laat", en hij meent het. Hij had eerder kunnen reageren. Hij had jaren gewonnen kunnen hebben. Maar tegelijk weet hij dat te laat hier niet betekent te laat voor wat blijvend is. Want toen God hem eindelijk had, was niets verloren wat God wilde geven. Wat anders was geweest, zou hij zelf niet eens kunnen overzien. Wat hij wel weet is dat hij nu wel kent. En dat is alles wat telt. Hij schrijft dit niet om zichzelf te kwellen, hij schrijft het om wie nog twijfelen aan te moedigen. Iemand die zich te laat voelt, mag bedenken dat de Heer geen kalender bijhoudt zoals wij. Te laat voor jouw schema misschien, maar nooit te laat voor zijn.
Schoonheid die niet verveelt
Het andere wat Augustinus zegt is dat de schoonheid van God oud is en nieuw. Oud, omdat hij van eeuwigheid bestaat. Nieuw, omdat hij elke keer dat je hem ontmoet, vers is. Veel dingen in dit leven worden saai zodra je ze kent. Een grap die je voor de tiende keer hoort, lacht niet meer mee. Een melodie waarmee je dweept, irriteert na maanden draaien. Maar God niet. Wie hem voor de duizendste keer aanroept, ontdekt nog iets nieuws aan zijn karakter. Wie hem zijn hele leven kent, gaat aan het einde ervan zeggen dat hij hem nog steeds maar half kent. Dat is geen frustratie. Dat is de aard van wie eeuwig is.
Ter overdenking
- Voel ik mij ergens te laat met iets bij God?
- Welke kant van zijn schoonheid mag ik vandaag opnieuw ontdekken?