Jonathan Edwards leefde in een tijd van geestelijke opwekking. Er gebeurden veel bijzondere dingen in zijn gemeente: mensen huilden tijdens preken, vielen flauw, kwamen tot intense emoties. Niet iedereen wist hoe je dit moest taxeren. Was dit werk van God, of psychologie, of zelfsuggestie? Edwards schreef zijn boek Religious Affections deels om die vraag te beantwoorden. Het twaalfde en laatste teken van echt geestelijk leven, zegt hij, is geen ervaring. Het is vrucht.
Niet de piek, maar de oogst
Edwards stelt vast dat geen enkele ervaring op zichzelf bewijst dat iemand werkelijk door God is aangeraakt. Een intense huilbui kan oprecht zijn of slechts emotie. Een geweldig gevoel tijdens een lofzang kan op God gericht zijn of op de muziek. Wat werkelijk telt, schrijft hij, is wat er na verloop van tijd uit iemands leven groeit. Niet wat hij voelde op één moment, maar hoe hij leeft over jaren. Wordt hij vriendelijker? Vergeeft hij makkelijker? Hangt hij meer aan eerlijkheid dan vroeger? Is hij toegankelijker voor mensen die anders zijn dan hij?
De oogst die kost en geeft
Vrucht groeit langzaam. Edwards weet dat. Een appelboom moet jaren groeien voordat hij echt draagt. Zo gaat het ook in een gelovig leven. Een belevenis is een moment, vrucht is een proces. Dat geeft enerzijds geduld: niet elke verandering hoeft binnen een maand zichtbaar te zijn. En anderzijds eerlijkheid: na tien jaar geloof zou er iets te zien moeten zijn. Edwards is geen rechter, maar hij wil zijn lezers wakker schudden. Beoordeel je geloof niet op pieken, maar op koers. Niet op één goede dag, maar op de lange streep van geduld, vriendelijkheid, trouw, liefde. Daar laat een echte boom zich kennen.
Ter overdenking
- Beoordeel ik mijn geloof op pieken of op groeiende vrucht?
- Welke vrucht is in mij toegenomen in het afgelopen jaar?