Paulus schrijft iets opmerkelijks aan de Korintiërs. Mijn moeilijkheden, zegt hij, zijn er voor jullie. Mijn troost, die ik daarin van God ontving, geef ik weer door. Matthew Henry merkt op dat hier een wet zit die in heel het christelijk leven werkt. God laat niets verspild gaan. Wat jou overkomt, wordt in zijn hand iets waar iemand anders later wijzer van wordt.
Een groter circuit
Henry beschrijft dit als een circuit. Je gaat door iets heen. Je ontvangt onderweg troost van God. Iets later kom je iemand tegen die door iets vergelijkbaars gaat, en je geeft door wat je zelf ontvangen hebt. Dat circuit werkt niet vanzelf. Je moet bereid zijn om door iets heen te gaan zonder uit te zien naar het volledige antwoord. Je moet bereid zijn om de troost werkelijk binnen te laten in plaats van te doen alsof het wel ging. En je moet bereid zijn om door te geven aan iemand voor wie het nuttig kan zijn. Wie deze drie stappen mist, brengt zijn ervaring niet verder. Wie ze allemaal zet, ontdekt dat zijn moeilijkste perioden de meest vruchtbare worden.
Iemand achter elk verhaal
Henry voegt eraan toe dat dit niet alleen geldt voor leiders of voor speciale mensen. Het geldt voor iedereen. Een gewone gelovige die door verdriet is gegaan, kan iemand troosten op een manier die geen psychotherapeut overtreft. Iemand die in een huwelijkscrisis stond en eruit gekomen is, kan andere stellen op weg helpen. Iemand die een lange ziekte droeg, weet wat een kortere ziekte van iemand anders inhoudt. Niets gaat verloren. Onze ervaringen worden grondstof in Gods hand. Dat geeft betekenis aan zelfs de moeilijkste hoofdstukken van een leven.
Ter overdenking
- Welke ervaring uit mijn verleden zou nu iemand anders kunnen helpen?
- Voor wie ben ik vandaag dichtbij, en wat kan ik doorgeven van wat ik zelf ontving?