Een eind verder op zijn reis ontmoet Christen iemand op de weg. Iemand die hem inhaalt, die uit dezelfde stad afkomstig is, en die op weg gaat naar dezelfde bestemming. Trouw heet hij. Vanaf dat moment lopen ze samen. Ze delen wat ze meemaakten in hun jonge jaren, ze bemoedigen elkaar in moeilijke fasen, ze waarschuwen elkaar voor gevaren. Bunyan wil dat zijn lezers iets begrijpen. Een pelgrim hoeft niet alleen te lopen, en hij hoort dat ook niet te doen.
Reisgenoten zijn een geschenk
Bunyan benadrukt dat het niet toevallig is dat Trouw juist op dat moment op de weg verschijnt. God geeft mensen aan mensen, op het juiste moment. Soms een vriend die je in een eenzaam seizoen toegestuurd krijgt. Soms een gemeentelid dat je iets vraagt waarvan je niet wist dat het je vooruit zou helpen. Soms een gesprek met iemand die je nauwelijks kent, maar dat blijkt precies wat je nodig had. Wie deze geschenken niet als toeval ziet, dankt ervoor. En wie ervoor dankt, gaat zelf ook geschenken voor anderen worden.
De ander hoger achten
Paulus' woord uit Romeinen 12 past goed bij dit deel van Bunyans verhaal. Christen en Trouw lopen op een gelijkwaardige manier samen. Ze kijken niet op elkaar neer, ze proberen ook niet elkaar te overtreffen. Ze achten elkaar hoger dan zichzelf, in de zin dat ze elkaars verhaal serieus nemen, naar elkaar luisteren, voor elkaar bidden. Bunyan laat zien dat dit het soort vriendschap is dat christenen elkaar mogen schenken. Geen wedstrijd, geen vergelijken, geen geestelijke één-op-meerdere positionering. Gewoon samen lopen tot aan de overkant, met respect voor wat de ander draagt.
Ter overdenking
- Wie is er voor mij op dit moment "Trouw" op de weg?
- Voor wie kan ik vandaag een metgezel zijn die de ander hoger acht dan zichzelf?