Aan het einde van zijn leven schreef Luther een korte terugblik op zijn bekering. Hij beschreef hoe hij als monnik gekweld was geweest door één zin uit Romeinen. De gerechtigheid van God is geopenbaard. Hij las dat als bedreiging. Want als God rechtvaardig is, en hij is heilig, en ik ben zondaar, dan zal hij mij zeker veroordelen. Hij had de zin gehaat, schrijft hij, omdat zij hem in zijn ogen veroordeelde.
Toen viel hem iets op
In zijn cel zat Luther dag en nacht over de tekst gebogen, en plotseling viel hem iets op wat hij eerder over het hoofd had gezien. Het volgende vers zei: de rechtvaardige zal leven door geloof. De gerechtigheid van God in Paulus' brief is geen veroordelende gerechtigheid, maar een schenkende. Het is iets wat God geeft aan wie gelooft. Niet iets waarmee hij straft. Op dat moment, schrijft Luther, was het alsof de poorten van het paradijs voor mij opengingen. Wat hij eerder als bedreiging had ervaren, werd zijn diepste troost. Geloven was niet meer een onmogelijke opgave, het was het ontvangen van wat God reeds gaf.
Een ervaring die anderen ook hebben
Luther deelt dit verhaal niet om indruk te maken. Hij deelt het omdat hij weet dat zijn ervaring niet uniek is. Veel mensen lezen de Bijbel jaren lang en zien sommige verzen als veroordeling, totdat een dag komt waarop ze de tekst plotseling anders lezen. Niet omdat ze slimmer worden, maar omdat de Geest hen iets toont wat ze eerder niet konden zien. Wie nog steeds vastzit in een veroordelende lezing van een Schriftgedeelte, mag dit horen. Lees het nog eens, en vraag God of er iets is wat hij wil laten zien. Een vers dat eerst veroordeelde, kan op een dag bevrijden.
Ter overdenking
- Welk vers heb ik altijd gelezen als bedreiging, dat ik vandaag opnieuw zou kunnen openen?
- Hoe past de gerechtigheid die geschonken wordt in mijn leven vandaag?