God noemt zelf twee plaatsen waar hij woont. De ene is verbazingwekkend hoog: in een heilige, eeuwige woning. De andere is verbazingwekkend laag: bij wie nederig en gebroken zijn. Octavius Winslow merkt op dat veel mensen de hoge plek wel kennen, maar de lage onderschatten. Ze denken dat God alleen op grote, lichte momenten naar hen kijkt. Maar Jesaja zegt: hij woont juist bij wie zich klein voelt.
Niet alleen bezoeken, wonen
Winslow let op het werkwoord. God zegt niet dat hij langskomt bij wie gebroken zijn, hij zegt dat hij er woont. Daar zit een verschil in. Een bezoek is tijdelijk. Wonen is permanent. Wie zich vandaag verbroken voelt, leeg, niet in staat om iets groots voor God te doen, hoeft niet te denken dat God daarom even ergens anders is. Hij woont juist daar. Daar voelt hij zich thuis. Hij is geen God die alleen kracht zoekt om mee te werken, hij is een God die zwakheid zoekt om in te wonen.
Waarom dat zo is
Winslow vraagt zich af waarom. Het antwoord vindt hij in het karakter van Christus. Hij koos zelf de laagste plek. Hij werd geboren in een stal, niet in een paleis. Hij koos vissers, niet keizers. Hij hing aan een kruis tussen twee misdadigers. Wie zo zelf is afgedaald, is op gemak in afgedaalde levens. Hij voelt zich vreemd in een hart vol trots, en thuis in een hart dat zichzelf niet meer kan ophouden. Dat is een troost voor wie aan zichzelf wanhoopt. Juist waar je denkt dat God niets meer met je kan, zegt hij: hier woon ik.
Ter overdenking
- Voel ik God vooral dichtbij in mijn sterke of in mijn zwakke momenten?
- Welke gebrokenheid in mijn leven mag ik vandaag aan hem laten zien als woonplek?