Winslow zegt graag dat het hele evangelie in één vers samengevat kan worden, en hier vindt hij zo'n vers. Een ruil. Hij was rijk, hij werd arm. En wij, die arm waren, worden door zijn armoede rijk. Geen mens kan deze ruil maken. Niemand kan iemand anders' armoede op zich nemen en zijn eigen rijkdom doorgeven. Christus deed wat onmogelijk leek, en deed het bewust.
Wat was zijn rijkdom?
Winslow vraagt zich af waar de rijkdom van Christus uit bestond voor hij arm werd. Niet uit goud of bezittingen. Hij had de eer van het zijn met de Vader. Hij had de aanbidding van de engelen. Hij had de onverbrekelijke nabijheid van de Heilige Geest. Hij had de heerlijkheid die hij bezat bij de Vader voordat de wereld er was. Dat alles legde hij neer, niet door het kwijt te raken, maar door het te verbergen voor de tijd dat hij onder ons leefde. Een Koning die in een stal wordt geboren. Een Schepper die zegt: laat de kinderen tot mij komen. Een Heer die voeten wast.
Wat is onze rijkdom?
En wat wordt ons gegeven? Winslow gaat de hele lijst af. Vergeving van zonden. Aanneming tot kinderen van God. De Heilige Geest die in ons woont. Toegang tot de Vader. De belofte van een eeuwig erfdeel. Geen daarvan hebben we verdiend. Geen daarvan kunnen we afdwingen. Maar in Christus zijn ze van ons. Wie dit ziet, leert anders kijken naar wat hij heeft en niet heeft. Wat de wereld rijkdom noemt, krimpt. Wat in Christus van mij is, groeit in waarde. En als ik in deze zin ooit arm moet zijn op aarde, weet ik dat ik door zijn armoede al rijk gemaakt ben voor altijd.
Ter overdenking
- Welke "rijkdom in Christus" heb ik vandaag nog nauwelijks bedacht?
- Wat als ik vandaag uit zijn ruil ging leven, niet uit mijn eigen balans?