Aan het einde van zijn pelgrimsreis staat Christen voor een rivier die hij moet oversteken. Er is geen brug. Iedereen die naar de Hemelse Stad gaat, moet er doorheen. Bunyan beschrijft hoe Christen in paniek raakt. Het water is diep. Hij verliest de grond onder zijn voeten. Hij denkt: ik ga eraan. Maar zijn metgezel Hoop houdt hem vast en zegt: ik voel grond, en ze is goed.
Bang in het laatste stuk
Bunyan, die zelf vele jaren in de gevangenis had gezeten en de dood vaak had overwogen, kent de doodsangst van een gelovige van binnenuit. Hij wil niet doen alsof christenen kalm de eindstreep over gaan zonder enige aanvechting. Sommigen, schrijft hij, hebben het zwaar in deze rivier, ook al hebben ze hun hele leven trouw geleefd. Niet omdat hun geloof faalt, maar omdat de duivel zijn laatste pijlen bewaart voor dit moment. Anderen ervaren juist hier een diepe vrede. Beiden zijn echte gelovigen, hun ervaring zegt niets over hun bestemming. Bunyan heeft hier opvallend veel oog voor het verschil tussen mensen. Hij weigert om één type sterven heilig te verklaren en een ander verdacht. Wie zwaar de rivier doorgaat, is niet minder gelovig dan wie kalm overstapt.
Wat eraan de overkant ligt
Aan de overzijde worden Christen en Hoop opgewacht door schitterende wezens die hen begeleiden de stad in. Bunyan haalt alle registers open. Muziek, licht, gejuich, het ontvangen door de Koning. Wie deze passages leest, voelt iets opwellen van verlangen. Dit is het einddoel van de reis. Niet een grijs voortbestaan, maar een werkelijke aankomst. Wie dit voor ogen houdt, kan de moeite onderweg dragen. En wanneer hij de rivier nadert, weet hij ook dat er aan de overkant iemand staat te wachten. De Koning zelf heeft gezegd: Ik zal niemand uitwerpen die tot Mij komt. Bunyan baseert zich hier op een veelheid aan Bijbelplaatsen, en hij wil zijn lezers leren om in te slijten dat de aankomst werkelijk is. Het is geen sprookje, en geen aangenaam idee. Het is wat de Heer beloofd heeft, en daarom is het zekerder dan wat we vandaag met onze ogen zien.
Ter overdenking
- Hoe denk ik over het laatste stuk van mijn pelgrimsreis?
- Wat verandert er als ik mij voorstel wie aan de overkant op mij wacht?