In de allereerste alinea van zijn Belijdenissen schrijft Augustinus een zin die door de eeuwen heen is meegedragen. U hebt ons gemaakt op u gericht, en ons hart is onrustig totdat het rust vindt in u. Wie deze zin werkelijk hoort, ontdekt dat hij iets uitlegt wat veel mensen ervaren maar nooit benoemen. Een chronische onrust die niet weggaat, wat ze ook proberen. Een leegte die geen baan, geen relatie, geen prestatie helemaal vult.
Niet een gebrek aan iets, maar een richting
Augustinus stelt voor om die onrust serieus te nemen, niet om hem weg te poetsen. De onrust is geen ziekte. De onrust is een aanwijzing. Wij zijn gemaakt voor God. Wat we zoeken in alles, vinden we alleen in hem. Dus zolang we hem niet gevonden hebben, blijven we zoeken. We proberen het in dingen die er voor bedoeld waren om naar hem te wijzen, niet om hem te vervangen. Maar onze dorst is op iemand gericht die ze niet kan stillen. Daarom blijft de leegte. Niet omdat er iets ontbreekt aan ons leven, maar omdat ons leven nog niet thuisgekomen is.
Rust die je niet maakt
Augustinus beschrijft in zijn eigen verhaal hoe hij dit lang heeft geprobeerd. Carrière, relaties, filosofie, succes. Allemaal goede dingen, maar geen van alle bedoeld om in zijn diepste binnen te wonen. Pas toen God daar plaats nam, vond hij rust. Niet omdat alle moeilijkheden verdwenen. Maar de bodemloze onrust hield op. Er kwam een vloer onder hem. Iemand die deze ervaring herkent, hoort de uitnodiging. Vraag het de Enige bij wie je hart eindelijk thuiskomt.
Ter overdenking
- Welke onrust probeer ik te vullen met dingen die haar niet kunnen stillen?
- Wat zou er gebeuren als ik deze onrust niet wegwerk maar ernaar luister als roeping?