Veel mensen leven met een onuitgesproken centrum: ikzelf. Het werk dient mij, de relaties dienen mij, en zelfs religie dient mij wanneer het mij troost geeft. Calvijn merkt op dat de Bijbel daar precies tegenin gaat. Wij zijn niet van onszelf, schrijft hij, maar van de Heer. Daar begint het echte leven mee. Als ik niet meer mijn eigen centrum ben, valt er iets weg en valt er iets anders op zijn plaats.
Niet ik, maar hij
Calvijn ontwikkelt deze gedachte als kern van het christelijk leven. Wij zijn niet van onszelf, dus laten we ons verstand niet door eigen wensen sturen. Wij zijn niet van onszelf, dus laten wij onszelf niet ten doel stellen. Wij zijn van de Heer, dus moet zijn wil onze leidraad zijn, en zijn eer ons hoogste doel. Calvijn is niet wreed in deze formuleringen, hij is gewoon eerlijk. Wie zichzelf in het centrum houdt, blijft kleine grootheid. Wie God in het centrum zet, krijgt deel aan zijn grootheid.
Wat dit doet met je dag
Dit klinkt abstract, maar het werkt door in gewone dingen. Bij het werk: doe ik dit voor zelfeer of voor zijn eer? Bij conflicten: vecht ik om mijn gelijk of dien ik de waarheid? Bij teleurstellingen: ben ik gekrenkt omdat ik niet kreeg wat ik wilde, of vertrouw ik dat hij weet wat hij doet? Calvijn zegt: dit is geen lijstje voor ascetische tijgers. Het is gewoon de logische uitkomst van het feit dat je gekocht bent. Niet van jezelf, maar van hem. En dat is niet beperkend, dat is bevrijdend.
Ter overdenking
- Op welk gebied behandel ik mezelf nog steeds als eigenaar?
- Wat zou er veranderen als ik vandaag werkelijk zou leven uit "ik ben van hem"?