Wat ben je eigenlijk, vraagt Augustinus zichzelf in zijn Belijdenissen. Hij merkt op dat hij een lichaam heeft, maar dat hij meer is dan zijn lichaam. Hij heeft zintuigen, maar hij is meer dan wat hij ziet en hoort. Hij komt uit bij iets wat hij geheugen noemt. Een ruime binnenwereld waarin hij beelden, woorden, gevoelens, ervaringen bewaart. Een veld, schrijft hij, of een diep paleis. En in dat geheugen, ontdekt hij, woont God.
Niet altijd herinnerd, wel altijd aanwezig
Augustinus is verbaasd over zijn eigen ontdekking. Hoe ben jij in mijn geheugen aanwezig, Heer? Niet als beeld, niet als ervaring, niet als ding. Eerder als de stilte achter alle dingen die ik me herinner. Hij is daar al voordat ik aan hem denk. Hij is daar als ik hem vergeet. Hij is daar als ik andere dingen doe. Daarom kan een mens hem soms na lang vergeten ineens weer herkennen, en wakker worden uit een levensperiode waarin God overschaduwd leek. Hij was er al die tijd, alleen werd hij niet bewust herinnerd.
Hem leren oproepen
Wat Augustinus dan ontdekt, is bevrijdend. Hij hoeft God niet ergens ver weg te zoeken. Hij hoeft hem in zichzelf op te roepen, in dat diepe geheugen waar de Heer al woont. Bidden wordt niet langer iets buiten je halen, het wordt iets binnen je activeren. Een korte gedachte aan zijn naam, een herinnering aan een gelezen tekst, een opwelling van dank, en hij is al present. Niet omdat jij hem produceert, maar omdat hij erop wachtte om herkend te worden.
Ter overdenking
- Wanneer was de laatste keer dat ik God ineens herkende in mijn dag?
- Hoe kan ik vandaag mijn binnenste rust geven om hem te bemerken?