Het beslissende moment in Augustinus' leven gebeurde in een tuin in Milaan. Hij was geestelijk uitgeput, in tweestrijd, en niet in staat de laatste stap naar Christus te zetten. Hij ging onder een vijgenboom liggen huilen. Toen hoorde hij vanachter een muur een kinderstem die zong: tolle lege, tolle lege. Neem het op en lees het. Hij stond op, pakte de boekrol met Paulus' brieven die hij eerder had neergelegd, en sloeg open.
Wat zijn oog viel
Zijn blik viel op Romeinen 13. Niet zwelgen en zuipen, geen ontucht en losbandigheid. Maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet langer toe aan uw eigen wil. Hij las verder niet, hij hoefde ook niet. Op slag, schrijft hij in zijn Belijdenissen, stroomde het licht der zekerheid mijn hart binnen, en alle duisternis van twijfel vluchtte weg. Het lange aarzelen was voorbij. Hij wist nu wat hij moest doen, en wat belangrijker is, hij wist nu dat hij het kon.
God spreekt vaak gewoon
Augustinus benadrukt: hij hoorde geen stem uit de hemel, geen visioen, geen engelenkoor. Een kinderstem op een gewone middag. Een tekst die hij al eerder had kunnen lezen. Maar op dat moment, in zijn keuken van wanhoop, gebruikte God beide om hem aan te raken. Daar zit een les in. Wie wacht op een spectaculair teken voordat hij God serieus neemt, zal misschien lang wachten. Wie de gewone middelen pakt, een Bijbel, een stem in de buurt, een zin uit een lied, vindt vaak dat God daar al lang aan het wachten was om iets te zeggen.
Ter overdenking
- Op welke "stem" wacht ik, terwijl God misschien al gewoon spreekt?
- Welke Bijbeltekst zou ik vandaag, eenvoudig en open, kunnen lezen om hem te horen?