Een vader bidt voor het eten met zijn kinderen. Een korte zin, niets bijzonders. Maar in die zin gebeurt iets wat Matthew Henry de moeite waard vindt om te benoemen. Een gewoon ontbijt wordt iets anders zodra je het in dankbaarheid neemt. Dezelfde boterham, dezelfde melk, maar nu opgenomen in een groter verhaal. God geeft het, ik dank ervoor, ik gebruik het om hem vandaag te dienen.
Dankzeggen verandert dingen niet, het verandert jou
Henry zegt: het brood is niet voedzamer door je gebed, en het is niet smakelijker. Maar de manier waarop het je hart raakt, verandert wel. Wie zonder dank eet, eet alsof hij recht heeft op wat er staat. Wie dankt, eet alsof hij iets ontvangt. Dat is het verschil tussen recht en geschenk. En het werkt door buiten de eettafel. Wie alles in het leven als geschenk leert zien, wordt rustiger van binnen. Niet omdat hij meer krijgt, maar omdat hij anders ontvangt.
Gewone dingen, heilige dingen
Paulus schrijft Romeinen 14 in een context vol meningsverschillen over eten. Hij wil dat de gemeente niet uit elkaar valt over dit soort kwesties. Wat telt is niet wát je precies eet, maar dat je het in zijn naam doet. Henry trekt deze lijn breder. Niet alleen je eten, maar je hele werk, je gesprekken, je huishouden, je vrije tijd kan in zijn naam gedaan worden. Dan worden gewone dingen heilig. Niet door religieuze versiering, maar door de gerichtheid van je hart. Een ongeschilderde keuken kan een tempel zijn, en een kerk kan leeg blijven.
Ter overdenking
- Welke gewone bezigheid van vandaag mag ik bewust "in zijn naam" doen?
- Hoe vaak vergeet ik gewoon te danken voor wat ik krijg?