Als een kind valt, rent het niet naar de boekenkast. Het rent naar zijn moeder. Niet omdat zij de wond beter begrijpt, maar omdat zij troost biedt die geen ander biedt. Octavius Winslow gebruikt dit gewone beeld om iets te zeggen over God. Paulus noemt hem de Vader die zich ontfermt, de God die altijd troost. Niet soms. Niet wanneer alles weer goed is. Altijd. Ook midden in.
Geen troost als pleister
Winslow waarschuwt voor een goedkope opvatting van troost. Sommige mensen denken dat getroost worden betekent dat het verdriet snel verdwijnt. Maar Gods troost werkt anders. Hij neemt vaak het verdriet niet weg, hij komt erin. Hij vermindert niet altijd de last, hij draagt hem mee. Een moeder die haar kind troost, doet de pijn niet verdwijnen. Ze maakt de pijn samen draagbaar. Zo doet God. Wie dat verstaat, hoeft niet meer te wachten op betere omstandigheden om hem te ontmoeten. Hij is er nu al.
Daarna ook anderen
Paulus voegt er nog iets aan toe. God troost ons in al onze ellende, opdat wij anderen kunnen troosten met de troost die wij zelf van hem ontvangen. Wie Gods troost heeft geproefd, krijgt iets in handen voor anderen. Niet woorden uit een boek, maar troost die je zelf weet uit ervaring. Daarom is geen enkel verdriet verspild in een gelovige. Wat hij doormaakt, wordt later iemand anders' redding. De zwaarste perioden van je leven kunnen op die manier de plekken worden waar God het meeste door je heen werkt.
Ter overdenking
- Welke troost van God heb ik recent geproefd?
- Voor wie kan ik vandaag een doorgever zijn van de troost die ik zelf ontving?