Soms zoek je je sleutels door het hele huis, en al die tijd zaten ze in je jaszak. Augustinus heeft dat gevoel met God. Pas heel laat ontdekt hij waar hij hem moet zoeken. Niet buiten, in de wereld van plezier en prestaties. Maar dichtbij, in hemzelf. Zijn beroemde woorden: laat heb ik u liefgekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik u liefgekregen. U was binnen, en ik was buiten, en daar zocht ik u.
Op de verkeerde plek gezocht
Augustinus zegt ronduit dat hij God in alles probeerde te vinden behalve in God zelf. In de erkenning van vrienden. In zijn werk. In genot. De dingen die God gemaakt heeft, hielden mij bij hem vandaan, schrijft hij. Het is een herkenbare valkuil. Je bedankt nooit voor het geschenk en vergeet de gever. Je raakt verliefd op wat God geeft en mist hem die het gaf. Daar gaat veel rusteloosheid van mensen over.
Hoe het keerde
En toen, schrijft Augustinus, riep u en doorbrak mijn doofheid. U schitterde en verdreef mijn blindheid. U raakte mij aan, en ik brandde van verlangen naar uw vrede. Let op de werkwoorden: God doet het. Augustinus stelt niet zichzelf in het middelpunt als de zoeker die God vond. Hij maakt zichzelf klein als de gevondene. Wie zo gevonden wordt, kan niets anders dan verwonderd zijn dat hij ooit ergens anders zocht.
Ter overdenking
- Waar zoek ik God buiten me, terwijl hij door zijn Geest in me wil wonen?
- Welk geschenk heb ik verward met de gever?